Buik betekenis & definitie

BUIK, m. (-en), onderste helft van den menschelijken romp, vgl. lijf; overeenkomstig deel bij de zoogdieren; onderzijde van ’t lichaam bij lagere dieren; een dikke buik; zwaar van buik zijn; — hij heeft een buik als een burgemeester, een dikken buik; — zijn buik vasthouden van het lachen; — pijn in den buik hebben, in de ingewanden; — (fig.) daar zou je pijn in den buik van krijgen, dat doet hoogst onaangenaam aan; — zijn buik rammelt (eig. rommelt) van den honger; — zijn buik vullen, zich zat eten; — (fig-) den buik dienen, van zijn buik een afgod maken, alles overhebben voor lekker eten en drinken; — (Zuidn.) een zielmis, uitvaart voor zijnen buik doen, een lustigen maaltijd houden; — (gemeenz.) met het mes in den buik rondloopen, bezorgd, bekommerd zijn (over iets); — zij zijn twee handen op één buik, zij zijn het altijd eens, handelen op dezelfde wijze; — zijne oogen zijn grooter dan zijn buik, hij neemt meer spijzen op zijn bord dan hij op kan; — een hongerige buik heeft geen ooren, een nooddruftige is het moeilijk raad geven; — gaatjes vullen den buik niet, aan mooie beloften heeft men niets; — hij heeft er den buik vol van, wil er niets meer mee te maken hebben, hij heeft er genoeg van; — te Gent kunt ge uwen buik vol kijken, zooveel zien als ge maar wilt; — (gemeenz.) schrijf het maar op je buik (dan kun-je het met je hemd weer uitvegen), ik betaal het niet; — (plat) een buik met beenen, eene hoogst zwangere vrouw; vgl. onderbuik; — hang-, hooi- en grasbuik (van een haas, een paard, zie die woorden); — een opgeschorte buik, inz. bij renpaarden; — (bij vergelijking) ronding, het vooruitstaande bolle deel van een voorwerp de buik eener spier, dikste gedeelte; — de buik van een schip, de ronding tusschen het bodemvlak en de opstaande wanden, (ook) het ruim; — op zijn buik zeilen, op zij; — de buik eener flesch, het wijde gedeelte tusschen den bodem en de borsten; — de buik van eene viool; — de buik van een zeil, de bolvormige gedaante, wanneer de wind erin blaast, vgl. buikgording; (ook) de ophooping van een vastgemaakt zeil op het midden der ra; — (aan zuilen) het dikste, middelste gedeelte der schacht; — de muur maakt een buik, zakt door; — de buik eener kerk, de ruimte tusschen twee rijen pilaren, beuk; — de buik van een hoogoven, kolenzak. Buikje, o. (-s), kleine buik; een buikje krijgen, dik worden, gewoonlijk van ’t veel eten; — (scherts.) klein persoon met een dikken buik; (gemeenz. door officieren) aanduiding voor „burger”.

Laatst bijgewerkt 01-09-2018