Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-09-2018

Breed

betekenis & definitie

BREED, bn. en bw. (-er, -st), eene groote afmeting hebbend in eene richting loodrecht op de lengte-as: eene breede rivier, straat; breede schouders, eene breede borst hebben;

— (met aangeving eener maat in den accusatief) afmeting loodrecht op de lengte: de kamer is 6 M. lang en 5 M. breed; de sloot is twee meter breed;
— een breed voorhoofd, een hoog voorhoofd;
— (zeew.) breed tuig, tuig met in verhouding te lange raas;
— (zeew.) breed liggen, de zijde bieden (aan den wind of aan een ander schip);
— (fig.) groot, uitgebreid: eene breede rij van misslagen; de breede schare der burgerij;
— de breede raad, voltallig, (bij uitbr.) een vrij groote, indrukwekkende raad;
— kiesrecht op breeden grondslag, aan zooveel mogelijk personen toegekend;
— zijne studie breed opvatten, zich niet tot het strikt noodige beperken;
— het niet breed hebben, geen vermogen hebben, bekrompen moeten leven;
— wie het breed heeft, laat het breed hangen, wie veel bezit, kan veel uitgeven; inz. spottend of ironisch gebezigd;
— Holland op zijn breedst, op zijn mooist, op zijn best, in tegenst. met Holland op zijn smalst;
— alles lang en breed vertellen, omslachtig, haarfijn;
— in het breede verhalen, alle bijzonderheden opsommen;
— iets in breede trekken vertellen, in enkele groote forsche trekken, met weglating der bijzonderheden;
— (als versterking van lang) ik was al lang en breed thuis;
— wijd en breed, alom, aan alle zijden;
— breed opgeven van iets, met ophef van iets spreken;
— iets breed uitmeten, er hoog van opgeven; (ook) het overdreven voorstellen; (soms ook) iem. iets hoog aanrekenen;
— er met de breede bijl inhakken, ruim, (ook) ruw te werk gaan (met geld, met gestrenge maatregelen);
— het is zoo lang als het breed is, het komt op hetzelfde neer, ’t is lood om oud ijzer;
— te breed voor servet, te smal voor tafellaken, (van een opgeschoten jongen of meisje) te groot om met kinderen, te klein om met groote menschen mee te doen; ook van eene huwbare jongedochter gezegd die zich te voornaam acht voor een handwerksman, en zelf ongeschikt is voor een hoogeren stand;
— den breeden weg opgaan, een slecht leven gaan leiden, in tegenst. met het enge pad der deugd.