Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-09-2018

Boter

betekenis & definitie

BOTER, v. verdikte vetdeelen van de melk of van den room (door karnen verkregen, gekneed en waaraan dikwijls zout en kleursel wordt toegevoegd) boter karnen, door karnen verkrijgen; boter kneden, kuipen, maken, wasschen, zouten;

— de boter afhalen, uit de karn nemen;
— (gew.) de boter is groot, de boterdeelen zijn door het karnen uit de melk afgescheiden;
— (gew. gemeenz.) zij heeft de boter groot, is hoogst zwanger;
— gras-, wei-, hooiboter, boter verkregen uit de melk, wanneer de koeien in de wei loopen of op stal staan;
— kluiten-, vaat (vat-), potjesboter, in kluiten of in vaten, potjes in den handel gebracht; vgl. inmaakboter;
— zoete boter, ongezouten boter; keuken-, tafelboter; koe-, schapenboter;
— goe-, room-, natuur-, fabrieksboter, (natuurboter in het groot in eene fabriek bereid);
— kunstboter, ook ossenboter en margarine genoemd;
— dat gerecht verslindt boter, vereischt bij de toebereiding veel boter;
— (fig.) boter bij de visch, geld bij de waar;
— ’t is zoo malsch als boter, bijzonder malsch;
— het smelt als boter in den mond, gezegd van iets dat zacht, sappig en lekker is;
— zoo glad (het glijdt) als boter, is zeer glad;
— ’t is boter aan de galg (gesmeerd), ’t zijn vruchtelooze pogingen om iemand te verbeteren, (ook) vergeefsche moeite voor eene verloren zaak;
— wie boter op zijn hoofd heeft, ga niet in de zon, wie iets op zijn geweten heeft, houde zich schuil;
— hij laat zich de boter niet van zijn brood nemen, men kan hem niet foppen, hij geeft niet licht toe;
— dat is een klontje boter uit de pap, daardoor worden de inkomsten belangrijk minder;
— de boter alleen op zijn koek willen hebben, alleen al de voordeelen willen genieten;
— een haar in de boter zoeken, op kleinigheden letten, op vermeende verkeerdheden vitten, met het doel om twist te zoeken;
— daar is een haartje in de boter, daar hapert iets aan de zaak;
— met zijn neus in de boter vallen, het gelukkig treffen, een buitenkansje hebben, een onverwacht voordeel genieten;
— hij braadt er de boter uit, hij neemt het ervan, hij blijft langer uit logeeren, dan aanvankelijk toegestaan is;
— 200 week als boter (ook als was) zijn, zich gemakkelijk laten leiden, (gew.) zich door de omstandigheden laten beheerschen; (ook) lusteloos, moe zijn;
— (gemeenz.) 't is botertje boven, gezegd wanneer een met boter besmeerde boterham op den grond valt en de boterzijde boven ligt, (ook fig.) ’t is een buitenkansje, (ook) ’t is er vetpot;
— het is botertje tot den boom, het is zooals men het maar wenschen kan, (ook) ze zijn buitengewoon lief, vriendelijk voor elkaar;
— een brokje boter in zure saus, een kleine troost in een groot leed, eene verzachting; (vaak iron);
— (Zuidn.) het eene is vuile boter, het andere vuile visch, geen van beide verdienen genoemd
— vet uit plantendeelen getrokken planten-, kokos-, cacaoboter;
— botertje spelen, boter-melk-kaas, zeker kinderspelletje;
— (gew.) boter en brood gooien, een steentje over het water keilen, kiskassen;
— (scheik.) vroegere benaming van enkele chlorieden, zooals boter van arsenicum, eene olieachtige vloeistof; boter van spiesglans, eene kleurlooze, weeke massa, vroeger als geneesmiddel, thans tot het bruineeren van geweerloopen aangewend; boter van tin.