Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-09-2018

2018-09-01

Bommel

betekenis & definitie

BOMMEL, m. (-s),_ prop van een vat, bom;

— de bommel is los, losgebroken, de bedrieglijke toeleg, het geheime plan is aan den dag gekomen;
— hij is op weg naar Bommel, hij gaat sterven;
— hij gaat naar Bommelskonten, drie uur boven de hel, hij steekt zich in eene netelige zaak, gaat zijn verderf te gemoet;
— hij is naar Bommelskonten, verzuimt heimelijk de school;
— te, naar Bommelskonten, bits antwoord op eene onbescheiden vraag waar iets, iemand is, of waarheen men gaat;
— (Zuidn.) eene dikke vrouw;
— met den bommel reizen, bommeltrein.