Bommel betekenis & definitie

BOMMEL, m. (-s),_ prop van een vat, bom; — de bommel is los, losgebroken, de bedrieglijke toeleg, het geheime plan is aan den dag gekomen; — hij is op weg naar Bommel, hij gaat sterven; — hij gaat naar Bommelskonten, drie uur boven de hel, hij steekt zich in eene netelige zaak, gaat zijn verderf te gemoet; — hij is naar Bommelskonten, verzuimt heimelijk de school; — te, naar Bommelskonten, bits antwoord op eene onbescheiden vraag waar iets, iemand is, of waarheen men gaat; — (Zuidn.) eene dikke vrouw; — met den bommel reizen, bommeltrein.