Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-09-2018

Bol

betekenis & definitie

1. BOL, m. (-len), voorwerp van rrin of meer ronde gedaante, bal;

— de breede zijde van een hamer;
kop of kroon van een nagelijzer;
— rond uiteinde van den roggerskop bij steenen windkorenmolens, waarop de bovensteen draait;
— (gew.) ronde nap;
— (Zuidu.) prop, kluwen;
— (ook) straalbol, vgl. bolpijp;
— (wapenk.) rond schijfje in een wapen, doorgaans plat, doch in de Duitsche wapens meestal geschaduwd en bolvormig;
— klomp bereid metaal om letters van te gieten;
— bal, bij verschillende wegspelen in gebruik, houten schijf;
— (meetk.) lichaam, begrensd door een gebogen oppervlak waarvan alle punten even ver verwijderd zijn van één punt, het middelpunt, in het midden van het lichaam;
— Maagdenburger halve bOllen, twee luchtdicht op elkander sluitende holle halve bollen die men luchtledig kan maken;
— hemellichaam de aarde of eene ster, vgl. aardbol;
— rond brood; van onderen plat, van boven bol, wittebrood brood met bol eten;
— warme bollen eten, (gew.) des Zaterdags warm brood eten;
— bollen blazen, op den horen blazen ten teeken dat de bollen gereed zijn;
— allerlei kleine ronde gebakjes zoutebolletjes, beschuitbollen, krentebollen;
— (plantk.) gezwollen, vleezig plantendeel als bewaarplaats van voedsel, in schubben of rokken opgehoopt;
— gerokte bol, wanneer de deelen elkander geheel omgeven;
— geschubde bol, wanneer zij dit slechts ten deele doen;
— toevallige bol, aan den bovenaardschen stengel waar men gewoon is een bladknop of bloem aan te treffen; inz. bloembollen;
— de geheele bloemdragende bolplant: in *t voorjaar staan de bollen bij Haarlem in bloei;
— (gew.) blauwe korenbloem;
— vrucht of zaaddoos van sommige planten, inz. maankop, en vlas.
2. BOL, m (-len), kleine bank of plaat aan de zeekust bij eb, of op de benedenrivieren bij laag water droog vallende de Razende bol bij Tessel.
— kleine krib aan een rivieroever om dezen te beveiligen tegen afneming door sterke schuring van den stroom.
3. BOL, v. (-len), spit veenaarde ter diepte van het blad der bolschup uit den veenkuil genomen, ook die diepte zelf;
— vierkant brok veengrond, van de oppervlakte gestoken.
4. BOL, v. (-len), (gew.) eene soort van aak.
5. BOL, m. (-len), (Zuidn.) stam van een boom, van de wortels tot de takken (zoowel groeiende als omgehouwen);
— (gew.) hout aan bollen, tot blokjes gezaagd;
— verhoogde vloer in eene glasfabriek, waarop de glasblazers loopen en waarin de vormen staan.
6. BOL, m. Zie BUL.
7. BOL, bn. en bw. (-Ier, -st), bolrond bolle spiegel, bolle en holle lenzen, brilleglazen;
— slap, drassig de slib en bolle veengrond;
— bolle turf, losse, lange turf;
— bol ijs, bomijs; (ook) zacht, week tengevolge van den dooi;
— (van den wind) telkens met losse vlagen waaiende, maar niet guur;
— gezwollen, dik, opgezet: bolle wangen, vaak opgevat als blijk van gezondheid en levenslust;
— een bolle meid!, gul, goedrond, lustig;
— een bolle lach om den mond, gul, vriendelijk;
— het bolle der hand, de rugzijde;
— iets met de bolle hand doen, maar half goed;
— (van dieren) wel doorvoed, vet;
— (van vogels) bol zitten, ineengedoken, met opstaande veeren, ten teeken van ziekte;
— de vogel is bol, legt niet meer in het nest (nadat de eieren eruit genomen zijn);
— de zeilen gingen bol staan, rond uitstaande, min of meer bolvormig;
— boekweitdoppen, stofvrij en bol, niet ineengedrukt;
— een holletje of bolletje, zeker kinderspel: raden of de pet met de opening naar boven of beneden neer komt.