Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Blind

betekenis & definitie

Het begrip blind heeft 2 verschillende betekenissen:

1. blind - BLIND, bn. bw. (-er, -st), niet kunnende zien blind geboren;
— ziende of willens blind zijn, iets wat duidelijk zichtbaar is, niet zien; (ook) met opzet iets niet willen zien;
— zich blind kijken, staren (op), zijne oogen door scherp zien benadeelen; (ook fIg.) op ééne zaak te veel letten, zoodat men daardoor alle andere uit het oog verliest;
— ik was blind voor zijne gebreken, die zag ik niet;
— een blind bewonderaar van Kloos, die alles even mooi van hem vindt;
— blinde vlek, plaats waar de gezichtszenuw in het oog treedt, ongevoelig voor het zien;
— een blind paard kan er geene schade doen, gezegd van een armoedigen, ontredderden, vervallen boedel;
— (zeew.) eene blinde klip, die onder water is;
— blinde berm, even beneden den waterspiegel;
— in schijn de blinde ra, ra onder den boegspriet die geen zeil voert, doch alleen de boegstagen uithoudt, ook wel de voelhorens genoemd;
— blind anker, dat zonder boei ligt;
— een blinde muur, muur zonder vensters;
— een blind venster, dichtgemetseld vak in een muur;
— eene blinde deur, die niet geopend kan worden, eene betimmering op eene deur gelijkende;
— blinde vloer, ondervloer;
— blinde pijpen, pijpen in orgels, die alleen als sieraad enz. dienen;
— blinde vragen, waarbij het vereischte antwoord niet is opgegeven (in een catechisatieboekje);
— blinde vinken, ziE VINK;
— blind rot, de overschietende man in het achterste gelid als er een oneven aantal manschappen is;
— eene blinde steeg, steeg zonder uitgang;
— een blind schot, zonder kogel of hagel;
— blinde darm, zie BLINDEDARM
— (fig ) dom, onwetend; de blinde Heidenen; het blinde bijgeloof;
— de blinde leiders der blinden, de Farizeërs;
trouw, onderdanig, onbegrensd: een blind geloof;een blind vertrouwen in iem. hebben; eene blinde gehoorzaamheid;
— de liefde is blind, ziet geene gebreken;
— het blinde geluk, de fortuin; dat was een blinde meevaller, waarop in het geheel niet te rekenen viel;
— bw. onbesuisd blind te werk gaan;
— blind spelen, de kaarten opgooien of de steenen opzetten zonder eerst te zien, welke het zijn blind domineeren;
— in den blinde rondtasten, in het duister iets zoeken; (ook fig.) gissingen maken zonder voldoenden grond om te oordeelen; (ook) op goed geluk af proefnemingen doen.

2. blind - BLIND, o. (-en), (of (gew.) BLINDE, v. (-n)) vensterluik; op schepen) los luik, aan den buitenkant tegen het kajuitsraam gezet, als men met hooggaande zee voor den wind zeilt;
— houten raam, bestaande uit twee stijlen en twee dwarsregels waarvan de eersten aan beide einden zijn aangepunt, hoog 2,70 M. en breed M., bij de sappeurs in gebruik: (zeew.) schuif voor het schietgat;
— blindzeil, boegsprietzeil (thans niet meer in gebruik).