Gepubliceerd op 01-09-2018

Bijkomen

betekenis & definitie

BIJKOMEN, (kwam bij, is bijgekomen), zich toevoegen aan na de vergadering zijn twintig leden bijgekomen;

er is geen bijkomen aan, men kan het bijna niet krijgen, koopen, zien;
— bijkomende omstandigheden, die hij ‘t hoofdfeit komen;
— dat moest er nog bijkomen dat zou de maat doen overloopen;
— tem. bijkomen, inhalen, bereiken, achterhalen;
— hij kan niet meer bijkomen, zijne medeleerlingen inhalen;
— overeenkomen, passen bij die kleur of verf komt er niet goed bij;
— uit eene bezwijming ontwaken; nu komt zij bij;
— in den laatsten tijd is hij veel bijgekomen, flinker, gezonder, zwaarder geworden;
— (fig.) na lang verval komt de handel weer wat bij, herleven;
— dat zal wel weer bijkomen, terechtkomen;
— (scheepst.) dicht bij den wal komen;
— (gew.) kastijden, straffen: wacht! ik zal je bijkomen. ]