Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-09-2018

Beuling

betekenis & definitie

BEULING, m. (-en), worst: bloedbeuling;

— (gew.) ingewanden van visch;
— (vuurwerk) kruitworst;
— valhoed; beuling des staartriems (van een paard);
— (scheepsbouw) ronde lijst, bv. tusschen het rahout en de zetgang;
— (bouwk.) wrong, rondstaaf;
— (verouderend) (fig.) onkundige, knoeier. Beulinkje, o. (-s).