Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-09-2018

Beul

betekenis & definitie

BEUL, m. (-en), scherprechter; hij is zoo astrant, brutaal als de beul, in hooge mate astrant, brutaal;

— de blauwe beul, indertijd benaming voor De Gids, dat een blauw omslag had;
— (fig.) wreedaard een beul van een jongen; hij is een beul voor zijne paarden; die patroon is een beul voor zijne werklieden.