Gepubliceerd op 01-09-2018

Berouw

betekenis & definitie

BEROUW, o. droefheid, spijt over iets waaraan men verkeerd heeft gedaan; inz. droefheid over iets waardoor men zich heeft bezondigd, met de bijgedachte aan het ernstig verlangen naar beterschap berouw over iets hebben, gevoelen; niet weer doen is het beste berouw;

— (spr.) hij heeft er zooveel berouw van als haren op zijn hoofd, zeer veel berouw;
— met oprecht berouw;
— (R. K.) berouw, droefheid des harten om begane zonden; volmaakt berouw, eenig uit liefde tot God; onvolmaakt berouw, uit vrees voor straf, met eene beginnende liefde tot God; slaafsch berouw, alleen uit vrees voor straf;
— gebed dat van deze droefheid des harten de geformuleerde uiting geeft: na de biecht eene akte van berouw bidden.