Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-09-2018

Benoemen

betekenis & definitie

BENOEMEN, (benoemde, heeft benoemd), noemen;

— iem. benoemen tot (een post), (van de bevoegde autoriteit) dien persoon tot die betrekking roepen, hem daarvoor aanstellen;
— benoemde getallen (b. v. 20 paarden, 30 koeien enz.), vergezeld van den naam der voorwerpen waaruit de hoeveelheid bestaat. BENOEMING, v. (-en), het benoemen tot; het geschrift waarin de benoeming wordt gedaan zijne benoeming ontvangen hebben.