Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-09-2018

Bekleeden

betekenis & definitie

BEKLEEDEN, (bekleedde,, heeft bekleed), met kleederen, met kleeden omhangen; beschieten, bedekken (met hout, lood, marmer enz.);

— stoomketels bekleeden, overdekken met slechte warmtegeleidende stoffen;
— eene kamer bekleeden, behangen;
— stoelen bekleeden, van kussens voorzien;
— versieren: het altaar bekleeden;
— (zeew.) een schip bekleeden, van een pantser of metalen huid voorzien;
— (bouwk.) beschoeien mijnputten bekleeden;
— wallen en borstweringen bekleeden, onder eene grootere helling dan de natuurlijke ze opzetten en ze met een wand van steviger stof bekleeden om het inzakken te voorkomen;
— (fig.) een ambt bekleeden, waarnemen;
— met een ambt bekleeden, iem. een ambt opdragen
— onder de dichters bekleedt hij eene eerste plaats, neemt hij eene eerste plaats in, staat hij vooraan;
— een leerstoel, een professoraat bekleeden, professor zijn.