Gepubliceerd op 01-09-2018

Bekennen

betekenis & definitie

BEKENNEN, (bekende, heeft bekend), bespeuren; op die deur is geene verf meer te bekennen, zij is geheel verveloos;

dat goed is zoo vuil, er is geen grond meer te bekennen, van de oorspronkelijke kleur is niets te bespeuren;
— het was zoo donker, dat ik geene hand voor oogen kon bekennen, kon zien;
— (kaartsp.) kleur bekennen, eene kaart van dezelfde kleur spelen als degeen die het eerst gespeeld heeft; (ook fig.) voor zijne meening uitkomen;
— (bijb.) eene vrouw bekennen, vleeschelijke gemeenschap met haar hebben;
— (gew.) iem. of iets herkennen;
—(germ.) zich tot een geloof bekennen, een geloof belijden, erkennen er toe te behooren;
— ik moet, wil wel bekennen, toegeven, (dat dit zus of zoo is), erkennen, belijden; inz. voor den rechter belijden, dat men zich aan het een of ander heeft schuldig gemaakt; (fig.) buiten pijn en banden bekennen, vrijwillig. BEKENNER, m. (-s), die iets bekent; (germ.) belijder van een godsdienst. BEKENNING, v. (-en). BEKENSTER, v. (-s).