Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Behooren

betekenis & definitie

Het begrip behooren heeft 2 verschillende betekenissen:

1. behooren - BEHOOREN, (behoorde, heeft behoord),(in spreektaal vaak: HOOREN), het eigendom zijn van, toebehooren die pen behoort mij;
— toekomen aan hem behoort het recht van benoeming;
— die tuin behoort erbij, maakt er een onderdeel van uit;
— de Krim behoort tot Rusland, is staatkundig daarvan een onderdeel;
— het behoort tot de zeldzaamheden, het komt zelden voor;
— dat behoort nu tot het verledene, is nu voorbij;
— (fig.) passen, betamen dat behoort zoo;
— vereischt worden, . noodig zijn er behoort tot zulk een werk eene groote mate van geduld; daartoe behoort moed;
— Karel behoort erbij, het is wenschelijk, dat hij erbij is;
— dat behoort geprezen te worden, verdient;
— ieder behoort zijn best te doen, het is plicht, dat ieder zijn best doet;
— kinderen behooren vroeg naar bed te gaan, moeten, dienen;
— hij behoort niet meer tot de onzen, hij heeft onze partij verlaten;
— die kat behoort hier niet, is niet van ons;
— gij (be)hoort hier niet, hier is uwe plaats niet;
— die stoelen (be)hooren in de voorkamer, moeten daar staan.

2. behooren - BEHOOREN, o. ieder zijn behooren, zijn bescheiden deel, wat hem toekomt;
— naar behooren, zooals het past, naar eisch.