Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-09-2018

Beheerschen

betekenis & definitie

BEHEERSCHEN, (beheerschte, heeft beheerscht), regeeren over een volk, een land beheerschen;

— het geld beheerscht de wereld, regeert, is oppermachtig, heeft grooten invloed;
— iem. beheerschen, zedelijk in bedwang hebben, (ook) invloed op zijne meeningen en daden hebben;
— eene klasse beheerschen, (in school) daar op gemakkelijke wijze de orde handhaven;
— den toestand beheerschen, meester zijn van den toestand, er grooten invloed op uitoefenen;
— zijne stof beheerschen, weten wat men geven mag en verzwijgen moet, nauwkeurig weten wat hoofd- en bijzaken zijn;
— een studieveld beheerschen, er geheel op thuis zijn;
— (oorlog) een terrein beheerschen, daarop vrij kunnen handelen en manoeuvreeren;
— eene rivier beheerschen, naar willekeur op beide oevers zijne strijdkrachten kunnen brengen, over minstens één overtocht beschikken;
— een overtocht, een bergpas beheerschen, met zijn geschut bestrijken;
— (taalk.) de bepalende woorden worden door de zinsdeelen die zij bepalen, beheerscht, zij drukken door den een of anderen buigingsvorm hunne betrekking tot die zinsdeelen uit;
— een bedrijvend werkwoord beheerscht een vierden naamval, eischt dien;
— zich beheerschen, zijne driften betoomen, kalm blijven; (ook) zich beperken:
— een denkbeeld, eene gedachte beheerscht iemand, die aan niets anders denken kan;
— de alles beheerschende kwestie, die gewichtiger is dan alle andere;
— zich door smart laten beheerschen, zich geheel aan die smart overgeven.