Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-09-2018

Beginsel

betekenis & definitie

BEGINSEL, o. (-s, -en), het is slechts een beginsel eerste proeve (van een leerling);

— de beginselen der rekenkunde, algebra, eenvoudigste eigenschappen, de grondslagen;
oorsprong van iets, datgene waarvan iets uitgaat, waarop het berust: het beginsel der wet is, dat ieder naar vermogen evenveel belasting betaalt; de vreeze des Heeren is het beginsel der wijsheid;
— stelsel: het beginsel van bevelen en gehoorzamen dringt diep in het staatsleven door;
— stelling, overtuiging waarnaar iem. handelt, inz. op het stuk van godsdienst, zedelijkheid en staatkunde beginselen zonder organisatie zijn een wegwijzer zonder weg, een man van goede, edele beginselen; een strijd van beginselen;
— een man van beginselen, een man die weet wat hij wil;
— staatkundige of godsdienstige meening, overtuiging liberale, radicale beginselen; iem. van positief christelijke beginselen.