Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-09-2018

Beginnen

betekenis & definitie

BEGINNEN, (begon, heeft en is begonnen), (gewoner dan) aanvangen: een gesprek, eene zaak beginnen; (doch ook) zich uitstrekken (van): die tuin begint aan den hoek, zijne bezittingen aan het kanaal;

— deze beek begint op gindschen heuvel, ontspringt;
— de weg begint bij dien molen, een begin nemen, van daar afkomen;
— een werk, een brief beginnen, daaraan een begin maken en meestal voltooien;
— aan zijn werk beginnen, (zonder het evenwel tot een eind te brengen;
— begin maar, aansporing, opwekking om iets te beginnen; beginnen is iets, maar voleinden!,
— het begint er op te gelijken, de gelijkenis komt langzamerhand, van lieverlede komt het klaar, in orde;
— het begint te regenen, te waaien; men begint in te zien, dat enz.;
— eene zaak, een winkel beginnen, openen;
— een rechtsgeding tegen iem. beginnen, hem voor het gerecht roepen;
— om te beginnen, in de eerste plaats;
— hij heeft zijn werk begonnen; hij is begonnen zich te beteren; wie is er begonnen (b. v. te twisten) ? wie is de aanlegger van den twist;
— begin maar niet met hem, laat u maar niet met hem in;
— met een meisje beginnen (te vrijen); (ook) haar onbehoorlijk plagen;
— wat zal men met zoo’n jongen beginnen ? en is geen beginnen aan.