Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-09-2018

Bedwang

betekenis & definitie

BEDWANG, o. bedwinging, beheersching iem. in bedwang hemden, hem stevig vasthouden, zoodat hij niets uitrichten kan; (fig.) maken, dat hij zich goed gedraagt;

— eene klasse schoolkinderen in bedwang hebben, houden, op gemakkelijke wijze zorgen, dat zij zich ordelijk gedragen;
— een paard in bedwang hebben, streng in toom hebben;
— onder bedwang zijn, staan, onder streng toezicht gehouden worden;
— zijne lusten, hartstochten in bedwang houden, daaraan niet toegeven, ze niet botvieren;
— zijne stem in bedwang hebben, daardoor niets laten blijken van zijne gemoedsbewegingen.