Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-09-2018

Bedaard

betekenis & definitie

BEDAARD, bn. bw. (-er, -st), tot rust, kalmte gekomen, kalm: een bedaard man;

— bedaard leven,, stil, kalm, ingetogen;
— bedaard optreden, bezadigd;
— iem. bedaard aanhooren, naar iem. oplettend luisteren zonder hem in de rede te vallen, hoewel men soms eene geheel tegenovergestelde meening heeft;
— iets bedaard aanhooren, zonder zijne kalmte te verliezen;
— niet overijld: ernstige studie en bedaard overleg; bedaard spreken, kalm en rustig;
— bedaard alles behandelen, geregeld achter elkander, zonder zich te haasten;
— houd u bedaard, wees niet zoo druk, zoo haastig; (ook) bedwing u;
— bedaard, bedaard zacht, zacht!
— bedaard aan,, zachtjes aan. BEDAARDHEID, v. kalmte; zijne bedaardheid verliezen, ongeduldig, driftig worden.