Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Baar

betekenis & definitie

Het begrip baar heeft 6 verschillende betekenissen:

1. baar - v. (baren), bolle verheffing van den waterspiegel der zee, meestal door den wind veroorzaakt; golf geene baar (zee, golf) komt hem te hoog, niets maakt hem vervaard; de woeste baren;
— op de baren zijn geluk beproeven, op de zee;
— (fig.) de baren der levenszee, de dreigende gevaren.

2. baar - v. (baren), zandbank voor eene riviermonding, waarover de schepen slechts bij hoog water kunnen komen het schip werd op de baar van Sulina aan den grond gezet; de Fransche kanonneerbooten zijn heden de baar (te Bangkok) overgetrokken; zie BAARHAVEN. 1

3. baar - v. (baren), eene staaf van gegoten kostbare metalen eene baar goud; in Zuidn. ook , van andere metalen, inz. van ijzer gezegd;
— (wapenk.) linkerschuinbalk in een wapenschild: ; eene breede streep loopende van den bovenhoek rechts naar den benedenhoek links; ook wel als teeken van bastaardij gevoerd;
— (Zuidn.) streep, getrokken als grenslijn in eene soort van krijgertjesspel.

4. baar - v. (baien), draagwerktuig; draag-, lijkbaar;
— (gew.) op de baar liggen, begraven worden.

5. baar - m. (baren), Europeaan die voor het eerst in Indië voet aan wal zet; iem. zonder menschenkennis; een nieuweling, een groen aan de Militaire Academie; een matroos die voor het eerst naar zee gaat. Zie BAARSCH en BAREN.

6. baar - bn. open, ruw ; de bare zee;
— ik zie niets dan de bare zee, niets dan water;
— (fig.) eene bare leugen, eene tastbare leugen;
— baar geld, klinkende munt, gereed geld;
— (veroud.) naakt, bloot (van het lichaam), thans nog bar in barrevoets;
— (van booze geesten) zonder eenige vermomming dat was de bare duivel;
— (Z. A.) deze Kaffer is nog baar, heeft nog niet onder de blanken gewoond.