Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 31-08-2018

2018-08-31

APOTHEKER

betekenis & definitie

m. (-s), een geëxamineerd persoon bevoegd aan het hoofd eener apotheek te staan voor apotheker studeeren; zich als apotheker vestigen;

— (spr.) ’t is bij den apotheker gehaald, het kost veel geld; een apothekertje dat aardig is, maakt van een stuiver, dat een gulden waardig is. APOTHEKERES, v. (-sen), vrouwelijke apotheker. APOTHEKERIJ. v. bedrijf des apothekers (in schertsenden of ongunstigen zin).