Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 31-08-2018

2018-08-31

APOTHEEK

betekenis & definitie

v. (...theken), werkplaats en winkel waar geneesmiddelen worden toebereid en verkocht (vroeger ook eetwaren, specerijen, wijn enz.), artsenijwinkel (in de spreektaal apteek);

— (spr.) van zijn lichaam eene apotheek maken, vele en velerlei geneesmiddelen gebruiken;
— ik ben de heele apotheek door geweest, ik heb allerlei geneesmiddelen beproefd;
— voor die kwaal is in de apotheek geen kruid te vinden, geen middel baat ervoor; ’t is in de apotheek gehaald, ’t is zeer duur, ook *t is daar de dure apotheek, in dien winkel is alles duur;
— verzameling van artsenijen voor bijzonder gebruik: huisapotheek; scheepsapotheek’, spoorweg apotheek; eene homoeopathische apotheek opdoen;
— de gezonde apotheek, zuur- en eierkraam.