Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 31-08-2018

ALTIJD

betekenis & definitie

bw. te allen tijde, in onafgebroken voortduring Gods liefde blijft altijd; eene altijd heldere bron; hij trok verder, altijd verder (vgl. al);

— altijd aan, onophoudelijk (met het bijdenkbeeld van onaangenaamheid); hij zoekt altijd door twist; je ziet er nog altijd goed uit;
— wij zijn voor altijd verbonden, voor goed;
— bij voortdurende herhaling ik loop altijd een blauwtje, als ik wil gaan vrijen;
— hij was net gekleed, als altijd, naar gewoonte;
— niet altijd, niet bij iedere gelegenheid, wel eens niet;
— meest altijd, meestal;
— ik hoor altijd en eeuwig die piano, (met het bijdenkbeeld van onaangenaamheid);
— altijd en overal, bij alle gelegenheid, wanneer en waar ook;
— in elk geval; hoe de zaken ook loopen, rijk word ik altijd;
—althans, ten minste ; je zult, met voldoende inspanning altijd, wel vooruitkomen.