Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

2020-02-24

Akkoord

betekenis & definitie

Het begrip akkoord heeft 2 verschillende betekenissen:

1. akkoord - Akkoord ook ACCOORD, o. (-en), overeenkomst, schikking, vergelijk, verdrag een akkoord maken, aangaan, sluiten;
— verdrag, schikking tusschen schuldeischer en schuldenaar: een goed akkoord maakt eene zachte scheiding;
— beter een mager akkoord dan eene slechte sententie, het is beter een geschil bij minnelijke schikking bij te leggen, al is het met wat schade, dan de kans van een duur proces te wagen;
— (gemeenz.) het op een akkoordje gooien, eene schikking treffen door van weerskanten iets toe te geven;
— een stilzwijgend akkoord, eene overeenkomst die men onderling stilzwijgend heeft aangegaan;
— (in ‘t bijzonder) schikking tot betaling der schulden in een faillissement: een akkoord aanbieden; ook de akte, daarvan opgemaakt het akkoord onderteekenen;
— (Zuidn) tot akkoord komen, brengen, het eens worden, doen worden;
— (muz.) samenklank van drie of meer tonen, op het oor een aangenamen indruk makend;
— samenklinken van tonen in ’t algemeen het wild akkoord van wind en golven;
— (tig. in *t mv.) schoone poëtische taal: Bilderdijksche akkoorden.

2. akkoord - Akkoord bn. de rekening, opgave, redeneering is akkoord, zooals zij behoort te zijn, juist;
— akkoord bevinden, in orde bevinden;
— (ellipt.) akkoord toegestemd! juist!;
— met iets akkoord gaan, het er mee eens zijn;
— (gew.) akkoord Van Putten (of) Van Varelen!