Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 31-08-2018

AJUIN

betekenis & definitie

Ajuin m. (-en), als voorwerpsnaam: de eetbare en, zoowel rauw als gekookt, algemeen als toespijs gebruikte scherpriekende bol van de bekende en veelvuldig gekweekte plant, look (allium), tot de familie der Leliën behoorende; hetzelfde als ui, in gewestelijke spraak ook siepel geheeten; de plant zelve die de ajuinen of uien oplevert;

—, v. als stofnaam eene hoeveelheid ajuinen of uien als spijs beschouwd;
— (fig.) het is ieder niet gegeven ajuin met droge oogen te schillen, niemand verricht iets onaangenaams opgewekt;
— (Zuidn.) domkop.