Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 31-08-2018

AFWERKEN

betekenis & definitie

Afwerken (werkte af, heeft en is afgewerkt), met moeite en inspanning van iets verwijderen: werk die balen wat van den muur af;

— met arbeid of moeite afscheiden dat hout is zoo hard dat het een heele toer is er een stuk af te werken;
— (Zuidn.) (eene schuld) niet in geld, maar in arbeid voldoen als zijne pachters hunne pacht niet betalen kunnen, laat hij hen de schuld op zijn land afwerken;
— afgewerkte stoom, stoom die nagenoeg geen arbeidsvermogen meer bezit, of wel, de stoom dien men na het gebruik laat ontsnappen;
— iets voltooien, geheel afmaken die tafel is niet afgewerkt; de opgegeven taak afwerken;
— wij zullen eerst maar afwerken en dan gaan eten, gedaan maken met het werken dat men te verrichten heeft;
— (fig.) hij houdt van afwerken, niets is hem aangenamer dan de zaken af te doen, tot een einde te brengen;
— dat is niet afgewerkt, niet voltooid, niet gereed;
— eene zekere mate van arbeid ten einde brengen kunt ge dit alles op één dag afwerken ?;
— wat (vrij wat, heel wat) afwerken, zeer veel werken;
— de laatste hand aan iets leggen het afwerken en opsieren van houtwerk; die voorwerpen zijn niet netjes afgewerkt;
— (voortbrengselen op het gebied van kunst en smaak) geheel ten einde toe bewerken, afmaken, voltooien;
— (fig.) ik moet mijne teekening afwerken, mijne beschrijving voltooien: die teekening is keurig afgewerkt; een roman, eene verhandeling afwerken;
— door zwaren of langdurigen arbeid afmatten, uitputten ’t is schande, zooals hij zijne arbeiders heeft afgewerkt;
— met moeite en inspanning naar beneden drijven, duwen of trekken 't is eene heele inspanning die zware blokken (van) den dijk af te werken;
— (van varende personen of bij overdracht, van hunne vaartuigen) met moeite en inspanning zich van zeker punt verwijderen, inz. wanneer zij tegen den wind opwerken wij hebben aanhoudend van den wal afgewerkt; het schip dreigde op het rif te stooten, maar laveerende is het er nog bijtijds afgewerkt en het gevaar ontloopen;
— zich afwerken, zich zwaar vermoeien door hard of langdurig werken, zich door arbeid afmatten ik heb mij letterlijk afgewerkt. AFWERKING, v.