AFTREKKEN betekenis & definitie

Aftrekken (trok af, heeft en is afgetrokken), iets wegtrekken van hetgeen waarbij, waaraan of waarop het zich bevindt, door het naar zich toe te trekken: trek die kisten wat van den muur af; ik zal de tafel wat van de kachel aftrekken; — aftrekkende spier, hetzelfde als aftrekspier; — (waterb. bij het maken van rijsbeslag): rijsbossen aftrekken, de opvolgende lagen rijsbossen over de reeds geplaatste lagen doen heenschieten, ze zooveel achterwaarts trekken als noodig is om de verlangde dikte te verkrijgen; — zwaar aftrekken, zoo dat de bossen weinig over de daaronder liggende uitsteken, waardoor de geheele rijsbedekking zwaarder of dikker wordt; — (in de geneesk.) (vochten in het dierlijk lichaam) van de plaats waar zij in te groote hoeveelheid aanwezig zijn, naar een ander lichaamsdeel afleiden door op dit laatste een prikkelend middel aan te brengen: een heet voetbad om het bloed van het hoofd af te trekken; — (de lading van een vuurwapen) door middel van den aftrekker uit den loop of de ziel van het wapen halen ten einde dit te ontladen; — een geweer, een revolver aftrekken, een vuurwapen afschieten, de lading door middel van den trekker doen ontbranden, ook de kanonnier trok af: — (Zuidn.) eene flesch aftrekken, ontkurken, opentrekken; — de (zijne enz.) hand of handen (van iets) aftrekken, zich onthouden van datgene wat men begonnen of voornemens was te doen, zich er niet meer mede bemoeien; — de (zijne enz.) hand of handen van iem. aftrekken, iem. zijne hulp of bescherming onttrekken, hem aan zijn lot over laten, zich niet meer met zijne belangen bemoeien; — de (zijne enz.) oogen van iem. of iets aftrekken, afwenden; — iemands oogen van iem. of iets aftrekken, afleiden van den persoon of het voorwerp waarop zij gevestigd zijn om ze op iets anders te richten; — de (zijne enz.) ziel, het hart, den geest, de zinnen, gedachten, aandacht, oplettendheid enz.) van iem. of iets aftrekken, er niet meer aan denken, zich er niet meer mede bemoeien; — iemands ziel, hart, geest, zinnen, gedachten, aandacht, oplettendheid enz. van iemand of iets aftrekken, door een krachtigen invloed afwenden om ze op iets anders te vestigen of te richten; — iemand van iets of van iem. aftrekken, hem daarvan verwijderen door hem naar zich toe te trekken; — (fig.) iem. van een ander aftrekken, de betrekking die hem aan dien persoon verbindt, doen ophouden: men komt mij vriendschap aanbieden om mij af te trekken van degenen die mij aanhangen; — iem. aftrekken van eene partij, een bondgenootschap, zijn plicht, eene verplichting enz., hem bewegen er ontrouw aan te worden; — iem. aftrekken van eene handeling, bezigheid, gewoonte, begeerte, lust, voornemen enz., hem door een overwegenden invloed daarvan afbrengen, bewegen ze te laten varen of ervan af te zien, ook iem. van een aangenaam gezelschap, de kinderen van hun spel aftrekken; — iemand aftrekken van eene gedachte, een denkbeeld enz., hem daarvan afleiden door zijne opmerkzaamheid op iets anders te vestigen; — afgetrokken van iets, er niet meer om denkende, er niet op lettende; — (kleedingstukken, sieraden enz.) ze een ander of zich zelven van het lijf trekken: hij trok haar den sluier af; — iemand het masker (de mom enz.) aftrekken, afrukken, (fig.) ontmaskeren; — (Zuidn.) zijne broek aftrekken, afstrijken; — korten, inhouden, een deel van eene hoeveelheid, van het geheel afnemen en daarvoor het bedrag zooveel minder maken: de schade zou van haar huur afgetrokken worden; de kosten werden van het bruto bedrag afgetrokken; — wegdenken: stel u eens een Hollandschen winter voor; trek er de sneeuw af; trek er alle vorst, verstijving en feilen oostenwind met fonkelenden winterhemel af; wat houdt gij over? een zachten winter; — eene hoeveelheid met eene andere verminderen: acht van veertien afgetrokken, blijft zes; — het verschil van twee getallen of vormen vinden volgens de regels: kunt ge al optellen en aftrekken; — lostrekken en wegnemen, afrukken, met een ruk afscheiden: de bladeren en bloemen hadden de deugnieten van die planten afgetrokken; — (voorstellingen en begrippen) uit eene meer samengestelde of zinnelijke voorstelling door wegdenking van al het overige dat daarin voorkomt, afscheiden of afzonderen om ze op zich zelve te beschouwen, abstraheeren, weinig in gebruik, ofschoon zeer gewoon in het als bn. gebezigde afgetrokken, zie aldaar; — (het vel of de huid van dieren en menschen, of andere omkleedsels van lichaamsdeelen) van het lichaam of lichaamsdeel afhalen door eraan te trekken, afstroopen: een haas, een paling het vel aftrekken, ook een, haas, een konijn, een paling aftrekken, villen; — (fig.) onze eigenaar zou een mensch het vel aftrekken, de bloedzuiger!, — (w. g.) (wijn, bier, azijn en andere vochten) aftappen; — (Zuidn.) is het bier al afgetrokken? gebotteld; — (Zuidn.) iemand bloed aftrekken, door aderlating wegnemen; — iemand (t. w. der moeder, ’t zij mensch of dier): te veel aftrekken, door veel of langdurig zuigen haar te veel kracht doen verliezen, zoodat zij allengs verzwakt of vermagert; — (in de lakenbereiding) den zoogenaamden persglans van het laken wegnemen door het in water te krimpen; — (in de papierber.) (een vel papier) met sapverf bedekken en kleuren, door het op de oppervlakte van een verfbad te leggen en vervolgens weder daarvan af te nemen of weg te trekken, waarbij dan de verf aan het papier blijft kleven; — (metalen) met de vijl ontdoen van de ruwigheden die nog op de oppervlakte gevonden worden, met de vijl afnemen, afvijlen; — (vernis- en verlakwerk) van de nog overgebleven oneffenheid of dofheid ontdoen door het met de daartoe dienstige middelen glad te wrijven; — (plantaardige en andere stoffen die oplosbare, geneeskrachtige, voedende, kleurende of andere zelfstandigheden bevatten) van die zelfstandigheden ontdoen door ze in eene vloeistof te laten trekken, er een aftreksel van maken: alaniswortel op brandewijn aftrekken; — thee laten aftrekken; — afgetrokken kruiden, die door aftrekken hunne kracht verloren hebben; — een afgetrokken kruid, het aftreksel van dat kruid; — ook (oplosbare zelfstandigheden die zich in of aan kruiden enz. bevinden) ervan weggenomen worden, er afgaan door het trekken in eene vloeistof: het zout van ingelegde groenten in water laten aftrekken; zet de oranjes in water, dan trekt de bittere smaak er af; — iem. klandizie, klanten aftrekken, op slinksche wijze doen verliezen; — (gedrukte afbeeldingen, als prenten enz.) op hout of andere stoffen overbrengen, afdrukken, gewoonlijk decalqueeren genoemd; — (voorwerpen en personen die zich op eene hoogte bevinden) naar beneden trekken: het was een heel werk, dat logge gevaarte van die hoogte af te trekken; — (gemeenz.) zich laten aftrekken, zich photographisch laten portretteeren; — (geteekende of gedrukte afbeeldingen, als prenten, kaarten, plans enz.) op doorschijnend papier (linnen enz.) overteekenen door de lijnen ervan nauwkeurig na te trekken, ook overtrekken genoemd: ik zal die plaat eens aftrekken; — (een drukvorm die door het herhaald trekken van drukproeven te dik met inkt besmeerd is en daardoor onzuiver afdrukt) dien van den inkt ontdoen of reinigen, door op de handpers herhaaldelijk een zelfde vel papier te bedrukken, dat men na elken druk verschuift, zonder den vorm van nieuwen inkt te voorzien, zoodat allengs de inkt van den vorm weggenomen wordt; — (een zeker aantal exemplaren van een vel druks) op de handpers trekken of drukken en daardoor dat gedeelte van den arbeid ten einde brengen, afdrukken; — zich aftrekken: zich van iemand aftrekken, de betrekking tot hem afbreken, zijne partij verlaten of zich aan hem onttrekken; — zich van iets aftrekken, (van iets waaraan men verbonden of gehecht is, of waartoe men in eenige betrekking staat) zich eraan onttrekken, zich ervan vervreemden; — zich van de wereld aftrekken, het wereldsche leven laten varen om zich aan de eenzaamheid of aan godsdienstige bespiegelingen te wijden; — zich aftrekken, zich afmatten, door te zware lasten te trekken (van trekdieren gezegd); — (plat) zich aftrekken, onanie plegen; — af- en aantrekken, beurtelings zich van eene plaats verwijderen en daarheen optrekken; — (fig.) zich terugtrekken uit een dreigend gevaar of uit een moeilijken toestand, terugwijken om zich bijtijds in veiligheid te brengen: ik heb er hem op gediend, ja, en zóó, dat hij druipstaartend is afgetrokken; — zich verwijderen, heengaan, vertrekken: daarmee moest ik aftrekken, zonder te weten, hoe ik mij in het vervolg had te gedragen; onverrichter zake aftrekken; — met stille trom aftrekken, zich stilletjes, ongemerkt verwijderen; — (van krijgsvolk te land of te water) terugtrekken, afmarcheeren of wegvaren; — de bui is al afgetrokken; het onweder trok langzaam af, voorbijtrekken, ophouden; — vertrekken naar; toen de troepen zich op straat vertoonden, trokken de oproerlingen naar hunne vergaderzaal af; Blücher’s leger was naar de Maas afgetrokken; — op iem. of iets aftrekken, met een bepaald doel zich op weg begeven, om iem. of iets te bereiken; — naar beneden trekken; de troepen waren reeds den heuvel afgetrokken; — de aftrekkende wacht, de afgeloste wacht die van de posten terugkeert; — (van vaartuigen of de opvarende personen) voor den stroom af varen: de vloot trok den Rijn af; — (van personen, voertuigen enz.) langs den oever stroomafwaarts trekken.

Laatst bijgewerkt 31-08-2018