Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 31-08-2018

AFTOCHT

betekenis & definitie

Aftocht m. (het mv. (-en) w. g.), het in goede orde terugtrekken, afmarcheeren of afzeilen (van legerbenden, vloten en schepen) voor den vijand: ieder zocht zich maar weg te pakken, en zoo veranderde welhaast de aftocht in eene volslagen vlucht;

— vrije aftocht, gelegenheid om onverhinderd af te trekken;
— vrijen aftocht bedingen, iem. vrijen aftocht vergunnen enz., het verlof om ongehinderd terug te trekken;
— in aftocht zijn, bezig zijn met terug te trekken; afrukken;
— in vollen aftocht zijn, met zijne geheele macht aftrekken;
— den vijand tot den aftocht dwingen, hem noodzaken terug te trekken;
— den aftocht beramen, ondernemen; tot den aftocht besluiten, zich tot den aftocht bereiden enz., plan maken, beginnen, besluiten, zich gereedmaken enz. om terug te trekken;
— zijn behoud in den aftocht zoeken, zich in veiligheid trachten te brengen door bijtijds terug te trekken;
— het bevel tot den aftocht geven, ook den aftocht benden, de troepen of schepen gelasten terug te trekken;
— het teeken, het sein tot den aftocht (geven), het teeken of sein geven, waardoor de aftocht bevolen of noodzakelijk gemaakt wordt;
— den aftocht slaan of blazen, door trommelslag of door het blazen op de trompet het sein geven om terug te trekken; (fig.) den aftocht blazen, zich uit een dreigend gevaar of een moeilijken toestand, uit eene moeilijkheid terugtrekken;
— den aftocht dekken, de troepen of vluchtelingen onder het terugtrekken beveiligen, behoeden; (fig.) iemands aftocht dekken, zorg dragen dat hij zich ongedeerd en ongehinderd uit eene moeilijkheid kan terugtrekken;
— (fig.) het zich terugtrekken uit een dreigend gevaar, uit een moeielijken en onhoudbaren toestand enz.: iem. een veiligen aftocht bezorgen, voor een veiligen aftocht zorgen, enz.;
— iemands aftocht verhinderen, belemmeren, stuiten enz., hem beletten zich terug te trekken uit een dreigend gevaar of een moeilijken toestand;
— (fig.) (van personen) het heengaan, het vertrek in 't algemeen; de oude heer gaf het teeken tot den aftocht;
— (Zuidn.) zijn aftocht nemen, heengaan, aftrekken;
— den aftocht blazen, weggaan, vertrekken, (gemeenz.) sterven: hij heeft den aftocht geblazen;
— (Zuidn.) het vertrek van voer- of vaartuigen;
— (dicht.) het scheiden: de aftocht van den herfst.