Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 31-08-2018

AFSPIEGELING

betekenis & definitie

v. het (zich) afspiegelen, in de verschillende opvattingen des woords de afspiegeling in het water van de hoornen langs den oever;

— (-en), een spiegelbeeld (eig en fig.), het beeld van iets onstoffelijks dat zich in iets anders afspiegelt, zich daarin als in een spiegel vertoont;
— de zinnelijke uitdrukking van het onstoffelijke, waardoor het zijn aard en wezen openbaart: zijn kalm gelaat was de afspiegeling van zijn vreedzaam gemoed; de wetten van een volk zijn veelal afspiegeling van zijne zeden.