Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 30-08-2018

Afscheiden

betekenis & definitie

AFSCHEIDEN, (scheidde af, is en heeft afgescheiden), (voorwerpen die aan andere vastzitten of er mede verbonden zijn) daarvan losmaken en afnemen, zoodat zij ervan gescheiden raken : het zwaard scheidde het hoofd van den romp af;

— (scheik.) (stoffen die in chemische verbindingen of in mengsels voorkomen) door scheikundige middelen vrijmaken en afzonderen uit de verbinding of het mengsel waarin zij voorkomen : door middel van zoutzuur scheidt men het zilver uit zilverzouten af; dierlijke kool scheidt metaalzouten uit het water af;
— (scheik.) afzetten;
— (physiologie) eene stof aan het algemeene voedingsvocht onttrekken, ze daarvan afzonderen en tot hare bijzondere bestemming bewerken : de melk wordt door de zogklieren afgescheiden; de lever scheidt de gal af;
— (eene ruimte) van eene aangrenzende ruimte afzonderen door middel van iets dat tusschen beide geplaatst wordt en dus eene scheiding uitmaakt: de hokken werden door tusschenschotten van elkander afgescheiden; de Pyreneeën scheiden Frankrijk van Spanje af; ook de oceaan scheidt de Engelschen van de Amerikanen af; het weideland was door eene sloot van den weg afgescheiden;
— (aardkunde) afgescheiden steensoorten, steensoorten die verdeeld zijn in afdeelingen van een bepaalden vorm, als in teerlingen, zuilen, platen enz.;
— (dingen of personen die zich onder of te midden van andere bevinden) van die andere verwijderen, zoodat zij van elkander gescheiden zijn : het kaf van het koren afscheiden; de schapen van de bokken afscheiden (Zie KAF en BOK); in vele scholen zitten de jongens van de meisjes afgescheiden;
— (personen die zich bij of in het gezelschap van hunne betrekkingen, vrienden enz. bevinden) van die anderen verwijderen, zoodat zij ervan gescheiden zijn; met het bijdenkbeeld, dat zij door die scheiding het bijzijn of de hulp hunner vrienden moeten missen of daarover leedwezen gevoelen : zij werden, door het overmatig getal der Franschen omsloten, van het leger afgescheiden; van u afgescheiden kan ik niet gelukkig zijn; hij leefde afgescheiden van zijne familie;
— (fig.) (van personen die óf tot andere personen óf tot eenige zaak in zekere betrekking staan, verbonden zijn) die betrekking of gemeenschap doen ophouden : dit alles was niet toereikend om hem van de liberale partij af te scheiden;
— (zaken en personen als zaken beschouwd, die met iets anders in verband staan) in zijne gedachten daarvan scheiden, ze beschouwen als daarmede niet in verband ; staande : hij weet de zaak niet van den persoon af te scheiden;
— wat is menschlievendheid anders, dan den mensch, afgescheiden van alle vooroordeelen, in den mensch te beminnen ? zonder die vooroordeelen in aanmerking te nemen;
— afgescheiden van uw verzoek was ik toch gekomen, ook zonder uw verzoek;
— zich afscheiden, losmaken en gescheiden raken : de verf begint zich van het hout af te scheiden;
— (scheik.) (van stoffen die in chemische verbindingen of in mengsels voorkomen) zich bij het ondergaan eener scheikundige bewerking uit de verbinding of het mengsel afzonderen : voegt men bij de oplossing van een zilverzout eene oplossing van keukenzout, dan scheidt zich een wit bezinksel van chloorzilver af;
— (ook fig.) (physiologie) (van verschillende dierlijke en plantaardige stoffen) zich van het algemeene voedingsvocht afzonderen, daaraan onttrokken en tot eene bijzondere bestemming bewerkt worden : in die ziekte scheidt zich veel slijm af;
— (van personen die zich bij of in het gezelschap van anderen bevinden) zich van hen verwijderen en afzonderen, hun gezelschap verlaten : hij voelde behoefte aan eenzaamheid, en scheidde zich van het gezelschap af;
— (van personen die óf tot andere personen óf tot eenige zaak in zekere betrekking staan, eraan verbonden zijn) zich aan die gemeenschap onttrekken, die betrekking afbreken : hij scheidde zich van zijne kameraden af;
— (zegsw.) zich van de wereld afscheiden, de wereld, de aardsche vermaken en beslommeringen verlaten, zich daaraan onttrekken;
— zich van een kerkgenootschap afscheiden, het verlaten, er uittreden, vgl. afgescheidene. AFSCHEIDER, m. (-s).