Gepubliceerd op 30-08-2018

Afrekenen

betekenis & definitie

AFREKENEN, (rekende af, heeft afgerekend), eene hoeveelheid van een zeker bedrag aftrekken : zon- en feestdagen afgerekend, zijn er 300 werkdagen in een jaar;

nagaan hoeveel men elkander schuldig is en dat betalen;
— (eene openstaande rekening of schuldvordering) geheel verrekenen, afdoen: ik kan nog niet vertrekken: eerst moet ik in mijn hotel afrekenen;
— (scherts.) wij hebben nog niet afgerekend (tegen een bediende gezegd), gij krijgt nog eene fooi van mij;
— met iem. af rekenen, zijne rekening met hem vereffenen en sluiten : de patroon rekent met zijne arbeiders af;
— ook hem rekenschap vragen van zijn doen en laten en daarvoor voldoening nemen door hem te straffen of te berispen : het is te wenschen, dat de rechter voor goed met dien deugniet afrekent, hem voldoende straft;
—(ook) in geene betrekking meer tot hem staan : ik heb met hem afgerekend;
— (fig.) het vóór en tegen van eene zaak met elkander vergelijken;
— zeer veel rekenen;
— zich afrekenen, zich afmatten door langdurig en ingespannen te rekenen.