Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 30-08-2018

Afleiding

betekenis & definitie

AFLEIDING, v. (-en), de daad van afleiden in de meeste beteekenissen van het woord ; (geneesk.)

op een gezond lichaamsdeel om aan een ziek deel ontspanning te geven : men maakt eene fontanel op den arm, om afleiding te geven aan ziekelijke lichaamsdeelen;
— eene handeling of een voorval waardoor iets gevaarlijks of onaangenaams tijdig wordt afgewend : dat gaf eene ongezochte afleiding;
— (krijgsw.) een aanval op een ander punt geeft afleiding voor een bedreigd punt, wendt het gevaar daarvan af;
— die vraag, dat voorval gaf eene afleiding aan ’t gesprek, eene wending;
— eene wending aan iemands gedachtenloop geven, inz. maken dat hij niet meer denkt aan wat hem kwelt of verdriet berokkent en daardoor vroolijker, opgewekter wordt: afleiding noodig hebben, geven;
— eene afleiding geven (bezorgen, ver! schaffen) aan iemands gedachten, ook: iem. of zich zelf;
— iets dat afleiding geeft (voorval, bezigheid): onder vele afleidingen iets doen,
— uitspanning : afleiding heb ik genoeg; het beoefenen van sport geeft menigeen eene gepaste afleiding;
— (taalk.) het afleiden van een woord, het aanwijzen van het verband tusschen een woord en het stamwoord, het aanwijzen van de afkomst van een woord; dat verband zelf;
— de leer der afleiding, het vormen van nieuwe woorden door aanhechting van een voor- of achtervoegsel enz.;
— het woord door afleiding gevormd: het woord koningin is eene afleiding van „honing”;
— samenstellende afleiding, vorming van een woord uit twee bestaande woorden of uit eene bepaalde uitdrukking, gepaard gaande met aanhechting van een achtervoegsel, ook: de woorden daardoor ontstaan: ,blauwgekield>, ,ondermaansch,’ ,blondlokkig,’ ,boosaardig’, „inachtneming”, „telaatkomer”, „terzijdestelling” zijn samenstellende afleidingen. Afleidinkje, o. (-s).