Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 30-08-2018

Afgunstig

betekenis & definitie

AFGUNSTIG, bn. en bw. (-er, -st), (van pers.) leed gevoelen over het geluk van een ander, dat men hem niet gunt: hij is afgunstig op, jegens iedereen;

— van nature geneigd tot afgunst: liefde is niet afgunstig;
— (van hoedanigheden, handelingen enz. die een persoon vertegenwoordigen) blijk gevende, dat de persoon wien ze toegekend worden, afgunst koestert: een afgunstig karakter; afgunstige blikken;
— iets met afgunstige oogen aanzien, met onverholen nijd en spijt;
— iem. afgunstig zijn, nijd op iem. hebben;
— bw. op afgunstige wijze.
AFGUNSTIGHEID, v. (...heden).