Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 30-08-2018

Advent

betekenis & definitie

ADVENT m. (R.-K.) (woordelijke beteekenis: nadering, naderende komst (des Heeren)): de besloten tijd van voorbereiding voor het Kerstfeest; de vier weken voor Kerstmis door de Kerk gewijd aan de gedachtenis van de naderende komst des Heeren, in de Westersche kerk beginnende op den Zondag tusschen 26 Nov. en 4 Dec., in de Oostersche kerk op 15 Nov.;

— (zegsw.) den advent prediken, prediken gedurende de weken van den Advent.