Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 30-08-2018

Adres

betekenis & definitie

ADRES o. (-sen), aanwijzing van den persoon tot wien men zich voor een bepaald doel te wenden heeft, met opgave van zijne woon- en verblijfplaats; of wel die opgave alleen;

— opschrift op een brief, een pak enz.; of wel : een los papier, gevoegd bij goederen welke men verzendt, vermeldende voor wien ze bestemd zijn of waar ze bezorgd moeten worden : een los adres;
— een brief of pak aan iemands adres verzenden, bezorgen, naar of aan zijne woning;
— de enveloppe met het adres;
— (fig.) aan het adres van, doelende op : die aanmerking was aan het adres van uw broeder, het was een steek onder water voor uw broeder;
— dat was aan het juiste, goede adres;
— aan het verkeerde adres zijn, zich vergissen ten opzichte van;
— (zegsw.) adres aan. . . . !, dat geldt: adres aan mijnheer A;
— adres aan iem. die niet ver af woont, die raakt een der aanwezigen;
— dat gebeurt meermalen, adres aan mijn broeder, d.i. het is mijn broeder evenzoo gegaan;
— adres van adhaesie, geschrift waarbij instemming betuigd wordt met een verzoek of een voorstel;
— verzoek, betoog, verklaring van gevoelens enz. tot eene bevoegde macht gericht door een bij de wet erkend lichaam, een of meer personen : een adres aan den koning, aan de Tweede Kamer enz.;
— adres van antwoord (op de troonrede), staatsstuk door eene van de beide Kamers der volksvertegenwoordiging tot den Koning gericht, in antwoord op de troonrede waarmede de zitting der Staten-generaal is geopend (thans in de Tweede Kamer vervallen).