Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 30-08-2018

Aartsbisschop

betekenis & definitie

AARTSBISSCHOP, m. (-pen), de bisschop van de hoofdstad eener kerkprovincie; hij bestuurt zelf een bisdom en heeft het oppergezag over andere ; bisschoppen : de aartsbisschop van Utrecht.