Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 14-11-2017

aankomen

betekenis & definitie

Aankomen - (kwam aan, is aangekomen), eene plaats bereiken; aan land of in de haven komen; aanloopen bij; - er is geen aankomen aan dien persoon, dat boek, men kan hem niet te spreken krijgen, het is moeilijk te krijgen; het doel treffen, raken, dat schot, die slag kwam goed aan;

(van pers.) in zekere betrekking komen of in zekeren kring (Universiteit, Kerkgenootschap) opgenomen worden, - met iets aankomen, met iets voor den dag komen, het te pas brengen enz., kom daar nu eens mee aan! hij kan zoo vreemd, raar aankomen; naderbij komen, (van menschen en dieren, natuurverschijnselen, den tijd, enz.); - ik zag het wel aankomen, voorzien; - kom aan! [eigenlijk = kom nader, treed toe] gewone opwekking om eene handeling te beginnen; - welnu, komaan! uitroep van verbazing; aanraken, betasten, kom nergens aan! - tegen iets aankomen, grenzen aan; - kom daarmee niet bij hem aan, vraag hem dat niet; - de leiding der fabriek komt op hem aan, berust op, is afhankelijk van; - het komt hier op geld aan, geld is hier de hoofdzaak; - het laten aankomen op iemand (op iets), aan hem overlaten, aan zijne zorg toevertrouwen; - die geschiedenis zal op mijn zak aankomen, neerkomen; - iemand vreemd, wonderlijk aankomen, een vreemden, wonderlijken indruk op hem maken; overvallen, aangrijpen: die ziekte is mij langzamerhand aangekomen; iemands eigendom worden door erfenis; aangekomen goederen, (recht.) goederen, welke eene vrouw bij het aangaan van haar huwelijk zich voorbehoudt of welke zij naderhand verkrijgt; aan den gang komen, beginnen, (brand, twist); groeien, opschieten; herstellen, genezen; - het komt er op aan, het beslissend oogenblik is daar; - het komt er niet op aan, het is van geen belang. AANKOMER, m. (-s).