Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 14-11-2017

aaneen

betekenis & definitie

Aaneen - bw. onafgebroken elkander opvolgende, zonder tusschenpoozen, achtereen; - ongescheiden, naast elkaar, in rijen: men moet de letters van een woord aaneen schrijven, die turven moeten op het veld niet te dicht aaneen staan;

toen de stoet voorbijtrok, hadden de soldaten reeds een uur aaneen gestaan. - In samenstellingen denkt men bij aaneen aan de vereeniging der doelen, bij samen aan de eenheid, door die vereeniging ontstaan, terwijl bij aan elkander aan de afzonderlijke deelen die vereenigd zijn wordt gedacht: twee koorden aaneenbinden (de uiteinden 1 vereenigen om een langer koord te krijgen), samenbinden (om een dikker koord te hebben).