9. bot betekenis & definitie

9. BOT, bn. bw. niet scherp meer, afgesleten, inz. van de snede van een mes enz. gezegd, ook een bot mes: eene botte schaar; een mes dat bot geschaard is; botte schaatsen; — (fig.) een bot verstand, dat niet gemakkelijk iets vat; ook botte kinderen, niet snugger; vgl. botterik, botmuil; — onbeleefd, onvriendelijk een bot antwoord; — iets bot weigeren, kortaf, op onbeleefde wijze; — te bot of te zot, zonder juiste maat, overdreven in de eene of andere richting; — botte glijbaan, bot ijs, niet glad, hobbelig; — (gew.) bot geld, veel geld; — (zeew.) bot lagerwal, bot opperwal, kust waar de wind recht op aanwaait; een botten lagerwal hebben, zeer nabij eene kust, klip of bank zijn, waar de wind pal heenwaait; — op eene lompe, ruwe wijze; — op eens, plotseling: bot bleef hij staan, vgl. botuit, botweg; — (gew.) bot aan den weg, vlak, onmiddellijk; — hij kwam bot tegen mij aan, vlak tegen mij; — dat is te bot, te erg; — bot zwijgen, geen woord meer zeggen; — (gew.) bot mooi, zeer.

Laatst bijgewerkt 01-09-2018

Lees meer