7. haar betekenis & definitie

7. HAAR, bw. zie HOT (1ste art.). HAARACHTIG, bn. naar haar gelijkende, harig. HAARBAL, m. (-len), een. bal van haar in de maag van herkauwende dieren; ...BAND, m. (-en), band om het haar gebonden; lint dat in de haren gevlochten wordt; bandvormig versiersel om de baren, haarwrong; (veroud.) (ontl.) de straalvormige band van het adervlies (van het oog); ...BARSTJE, o. (-e), haarscheurtje; ...BEKLEEDING, v. (zeew.) een vermenging van dierenhaar met teer, papier enz. die men op de romp van een schip aanbrengt tusschen de buitenhuid en de houten dubbeling; ...BEZEM, m. (-s), een bezem, van haar vervaardigd; ...BLES, v. (-sen), een vlok haar op het voorhoofd; ...BORSTEL, m. (-s), schuier met handvat om het hoofdhaar uit te borstelen; ...BOOM. m. (-en), boom. balk waarop de leerlooiers de huiden van het haar ontdoen; ...BOS, m. (-sen), bos haren; (ook van dicht hoofdhaar) wat heeft hij een haarbos op zijn hoofd.

Laatst bijgewerkt 12-09-2018