5. SCHOOT betekenis & definitie

5. SCHOOT - v. (schoten), (plantk.) loot, spruit; eene schoot krijgen; uitspruitsels van aardappelen, die reeds lang gerooid zijn en boven den grond liggen (in een kelder, een stal enz.): schoten aftrekken; — schoot van een slot, dat deel wat bij sluiting buiten het slot uitspringt, schieter. SCHOOTJE, o. (-s).

Laatst bijgewerkt 06-12-2018