5. bom betekenis & definitie

5. BOM, v. (-men), schijfvormige stop in een vat, wel te onderscheiden van eene spon, die smaller en langer is; — hij slaat de bom op het vat, voor het vol is, hij acht de zaak te spoedig beklonken; — de bom is gebarsten, gesprongen, het geheim is uitgekomen; (ook) het lang gedreigde gevaar is gekomen. Bommetje, o. (-s).

Laatst bijgewerkt 01-09-2018