4. mark betekenis & definitie

4. MARK, v. (-en), MARKE, v. (-n), (oudtijds) grens, grensgewest: de Spaansche mark; de Oostenrijksche mark; — de onverdeelde gronden, behoorende aan de leden van een markgenootschap (in de oostelijke gewesten van Nederland).

Laatst bijgewerkt 19-09-2018