4. AL betekenis & definitie

4. Al voegw. (in toegev. bijz.) ofschoon, hoewel: al ben ik arm, ik ben gelukkig; — ik heb hem royaal behandeld, al zeg ik het zélf, met alle bescheidenheid gezegd; — ook in het geval dat, zelfs wanneer: ik zou niet toeslaan, al bood men mij ook duizend gulden; — wij moeten het doen, al is het (ook, dan ook, zelfs) voor den vorm, (door ook, dan ook komt de tegenstelling van den bijzin meer uit); — al is het voor hem verborgen geweest, nochtans (evenwel, toch) is hij schuldig; — (veroud.) als, gelijk, alsof; — (gew.) indien, als.

Laatst bijgewerkt 31-08-2018