3. lijken betekenis & definitie

Lijken (leek, heeft geleken), gelijken op, gelijk zijn aan hij lijkt sprekend op zijn vader; zij lijken op elkaar als twee droppels water; — dat lijkt er niet naar, dat scheelt veel, er scheelt veel aan, dat gaat niet; — dat lijkt nergens naar, is geheel verkeerd; — schijnen: het lijkt wel te regenen, (ook ironisch, als men ziet dat het stortregent);

— hij lijkt wel gek; hij lijkt wel een razende; — voegen, passen, aanstaan dat huis lijkt mij niet; zoo iets zou mij wel lijken; — (Z. A.) lijkt u die wijn, bevalt u die wijn, smaakt hij u; ik lijk hem niet, ik houd niet van hem.

Laatst bijgewerkt 19-09-2018