2 SCHOR betekenis & definitie

2 SCHOR - bn. bw. (-der, -st), heesch: eene schorre stem; zich schor zingen en schreeuwen; hij is schor; — (zeew.) ruw, kaal, steil: (zeew.) schorre kusten. SCHORHEID, v. heeschheid.

Laatst bijgewerkt 06-12-2018