2. AFZIJN betekenis & definitie

Afzijn o. het verwijderd zijn van de plaats waar anderen zich bevinden, of waar eene handeling voorvalt, het niet tegenwoordig zijn *t afzijn valt mij zwaar; een afzijn van eenige weken, eenige maanden; zij begonnen te gewennen aan het afzijn hunner ouders; — in, gedurende, ten tijde van iemands afzijn, gedurende den tijd dat hij zich elders bevindt (of bevond); of wel, in die omstandigheid, dat hij afwezig is (of was); — bij iemands afzijn, in zijne afwezigheid; — sedert iemands afzijn, sedert hij afwezig is; — afwezigheid na een lang afzijn, na een afzijn van (een zekeren tijd), na (zooveel tijd) afzijns, (ook) het afzijn van mannelijk oir, het ontbreken.

Laatst bijgewerkt 31-08-2018