2. AFVOEREN betekenis & definitie

Afvoeren (voerde af, heeft afgevoerd), naar elders voeren of geleiden (inz. gevangenen en krijgslieden): men voerde de gevangenen (van) de markt af; het vee moet om twee uren (van) de markt afgevoerd zijn; — af- en aanvoeren, van en naar eene plaats voeren, doen vertrekken en naderen, (zaken) wegvoeren en aanbrengen; — van een bepaald punt wegvoeren, wegbrengen zij ijlde de allee van oranje-boomen door, die haar van den jonkman afvoerde; dat pad voert u van de stad af; — naar beneden voeren of geleiden de bevelhebber voerde zijne troepen van de hoogte af; de herder voerde zijne schapen den heuvel af; (flg.) nieuwsgierigheid en belangstelling zou hem zeker met vroolijke drift de vreemdsoortige trap hebben afgevoerd; ook wij sloegen een vrij steil zijpad in dat ons in weinige minuten den berg afvoerde; — naar elders vervoeren, overbrengen; — afdrijven, uit den koers drijven: daar men gedurende den nacht de St.-Paulus-Rots moest passeeren en door den harden stroom wel iets westelijker kon zijn afgevoerd; — af- en aanvoeren, wegvoeren en aanbrengen; — (van personen in betrekking tot een lichaam of eene vereeniging waartoe zij behooren) iem. van de ledenlijst afvoeren, zijn naam op de ledenlijst schrappen; — stroomafwaarts voeren de kolen worden met schepen den Rijn afgevoerd; het hout wordt in vlotten de rivier afgevoerd; — doen afstroomen, ergens heen laten afloopen het water wordt door eene sloot of greppel afgevoerd; — in den stroom meevoeren, stroomafwaarts voeren die gele kleur heeft men toe te schrijven aan de ijzerstof welke de rivieren afvoeren.

Laatst bijgewerkt 31-08-2018