2 donker betekenis & definitie

2 DONKER, o. de toestand van donker (in eene ruimte of in ’t algemeen heerschend), zelfstandig voorgesteld in (het, den) donker rondtasten; — voor (het, den) donker thuis zijn, vóór het vallen van den avond; — de donker overviel ons, de duisternis, de avond; — met den donker thuis, als het donker wordt, bij het vallen van den avond; — (fig.) hij knijpt de kat in (het) donker, haalt in stilte gemeene streken uit: — het nachtelijk donker, de nachtelijke duisternis: — tusschen licht en donker, in de schemering.

Laatst bijgewerkt 02-09-2018