1. achteruit betekenis & definitie

1. ACHTERUIT, bw. in de richting naar achteren, achterwaarts, rugwaarts; in de richting, tegenovergesteld aan de vorige. (ACHTERUIT vormt samenstellingen met onz. ww., die eene voortgaande beweging te kennen geven : achteruitglijden, —kruipen, \ —rollen, —schrikken, (schrikken = wijdbeens stappen), —rukken, —schieten, (zeew.) —vallen, —zitten, (zittend achteruitrijden) enz.; met onz ww . die eene beweging uitdrukken van een wezen of voorwerp dat zich niet van zijne plaats beweegt, maar staande , de werking oefent; achieruitschoppen, —sloan, —trappen, —werken; met onz. ww. die eene handeling te kennen geven waardoor men achterwaarts gaat (in fig. zin): achteruitboeren, —teren, —leer en; met bedr. ww. die eene stuwende of drijvende beweging te kennen geven : achteruitdrijven, —drukken, —duwen —halen, —jagen, —rukken, —sleepen, —stuwen. —trekken, —werken, enz.; —schuiven, —zetten: (deze twee ook figuurlijk). Van al deze eigenlijke samenstellingen eischen alleen die bijzondere vermelding, welke eene figuurlijke beteekenis hebben.) Vgl. kom hier achter uit, aan den achterkant uitkomen en kom hier achteruit, bij mij in de kajuit; — (gew.) dit kind is erg achteruit, achterlijk, (lichamelijk of geestelijk); — (zegsw.) hij woont achteruit, hij heeft zijn verblijf in het achterschip, behoort tot den état-major; — een jongen van achteruit, een jong bediende van de officieren.

Laatst bijgewerkt 30-08-2018